Hij hield
zijn evenwicht door vol op mijn schouder te leunen. Ik zat te eten in Kaminsky in Leuven toen ik zijn steun en toeverlaat bleek en hij zijn alcoholwalm over
mijn eten uitademde. Hij mompelde iets wat op “sorry” leek en strompelde door
naar de bar. Hij ging dwars in het gangpad staan, benen wijd en overstrekt en
de voeten naar buiten gekeerd. Met een hand houdt hij zich vast aan de bar en
wankelt wat heen en weer. Twee meisjes aan de bar kijken hem medelijdend en een
tikje afkeurend aan. De barman kent hem, lacht hem vriendelijk toe, maar schudt
gedecideerd nee als hij om een pintje vraagt. Hij krijgt niets, geen druppel.
Hij doet zijn ogen dicht en wankelt wat harder. Na een paar seconden kijkt hij me
aan zonder me te zien. Hij zucht diep. Hij voelt met de hand die vrij is in
zijn zak naar sigaretten. Hij pakt er een, steekt hem in zijn mond en houdt er
op goed geluk een aansteker bij. Hij krijgt een duwtje van de barman die weer nee schudt. Dat
mag niet, roken in het café. Op hetzelfde moment merkt de man dat zijn gulp
openstaat. Hij ziet dat ik zie dat hij dat in de gaten heeft. Hij twijfelt wat
hij moet doen. Wat is belangrijker? De peuk moet uit, of hij moet naar buiten
en zijn gulp moet ook nog dicht. Het kan niet allemaal tegelijk. Hij gaat voor de
sigaret. Hij loopt al leunend tegen de mensen die aan de bar zitten terug naar
de deur en op het moment dat hij er is, weet hij niet meer wat hij bij de deur
doet. Hij draait om, de barman wijst naar zijn peuk en hij weet het weer. Hij
tilt zijn hoofd wat op en lacht als bevestiging. Hij trekt de deur open en
kijkt omlaag. Terwijl hij de kou het café in laat probeert hij met de brandende
peuk in zijn hand zijn gulp dicht te doen. Het lukt niet. De barman loopt naar
hem toe, helpt hem naar buiten, houdt even zijn peuk vast. De gulp gaat dicht, de
man gaat in het raam zitten en rookt zijn sigaret op. Daarna zwaait hij naar de
barman en zwalkt verder de nacht in.
woensdag 29 februari 2012
woensdag 22 februari 2012
dinsdag 21 februari 2012
Piet Verkruijsse (1943-2012)
Piet stond
voor het bord met stageplekken. Of ik geen redactiewerk wilde doen voor het
tijdschrift Literatuur. Dat wilde ik wel. Ik moest wel even solliciteren, zei
hij. Daar trapte ik in en kwam met grof geschut naar zijn spreekkamer. Ik moest
en zou die stageplek hebben. Hij heeft hard gelachen om mijn enorme
voorbereiding. Dat gebeurde wel vaker. Hij maakte mij onzeker en ik deed
daardoor nog harder mijn best. Dat was niet altijd even leuk, maar op sommige
momenten wel effectief.
Ik heb een
paar jaar op zijn werkkamer doorgebracht. Er zaten meer docenten en ook een van
mijn inmiddels beste vriendinnen, Ellen. Haar
heb ik toch maar mooi van hem cadeau gekregen. Tijdens de lunch kwam de halve
afdeling altijd binnenvallen. Omdat er gerookt werd en wij het verbod hierop allemaal
negeerden. De blauwe kamer heette ons hok. Ik heb daar veel geleerd en veel
gelachen. Piet kon vertellen, vooral over hele rare voorvallen. Altijd half
mompelend en onderkoeld. Dat zijn vrouw af en toe een brug inslikte als ze
sliep bijvoorbeeld. Dat gebeurde niet een keer, maar meerdere keren. Hij vond
dat stiekem prachtig.
Hij heeft
mij zover gekregen dat ik archiefonderzoek ging doen. Mijn afstudeeronderwerp
had ik nooit zelf kunnen verzinnen. Boekdrukkersweduwen in Amsterdam tussen
1600 en 1800. Gezellig. De uitdrukking “Ik word gek van die dooie wijven!” heeft
veelvuldig geklonken. Zijn adviezen brachten mij niet veel verder, ja tot
wanhoop, maar uiteindelijk kwam het goed.
Ik heb
altijd naar zijn goedkeuring gezocht en zelden gekregen. Dat maakte het contact
later ook wat ingewikkeld. Zo´n mechanisme verdwijnt niet zomaar. Hij vond dat ik had moeten
promoveren, harder mijn best had moeten doen. De baantjes die voor mij volgden
vond hij eigenlijk zonde van de tijd. Hij was een wetenschapper, een ouwe
brompot, een man met een randje en soms lastig in de omgang. Maar nu is hij
dood en daar ben ik erg verdrietig over. De laatste maanden nam ik mij voor om
wat met hem te gaan drinken, nog eens langs te gaan. Ik heb dat uitgesteld en
uitgesteld. Pure angst om hem zo ziek te zien en niet te weten waar ik het over
zou moeten hebben. Laf gedrag.
Zaterdag
wordt hij begraven. Dan kan ik nog een keer dag tegen hem zeggen. Voor de
laatste keer. Dag lieve ouwe brompot. Dag lieve Piet.
maandag 20 februari 2012
De Donald Duck, tuurlijk!
De oudste
sloper heeft moeite met lezen. Op school krijgt hij bijles, thuis lezen wij met
hem. Eerst lazen we keurig de lijstjes en verhaaltjes die hij van school meekreeg. Hij vond het vreselijk. Saai, geen
zin in, weerstand. Wat moet je dan? Op school deden ze wat ze konden en weer
kreeg ik een lijstje woorden mee naar huis die hij achter elkaar op moest
dreunen. Succes less than zero. Maar het ventje zal toch moeten leren lezen dus
toen ik een boek ging kopen voor een vriendin heb ik het probleem voorgelegd
aan de dame bij de kinderboeken. De tip van de eeuw: Donald Duck junior. Ik hield hem voor zijn neus en de Donald
Duck junior vreet hij. Hij moet lachen om de tekeningen, hij voelt grapjes aankomen,
maar moet toch eerst de tekst lezen om het helemaal te snappen. Hij leert nu
dus lezen met strips. Kan mij het schelen. Als ie maar leest. Geweldig! Hij vindt
het eindelijk een beetje leuk. Nog een
hit is Geronimo Stilton. Niet de dikke avonturenboeken, maar de simpelere
uitgaven waaruit ik hem voorlees en hij zelf de speciale woorden hardop moet
lezen. Hij vindt het voor het eerst sinds groep drie leuk om in een boek te kijken.
Eindelijk. De laatste tip was dat jongens vaak niet op verzonnen verhalen
zitten te wachten, dus de kinderencyclopedie staat ook op het programma, naast
het ´je achtertuin is een jungle´ lees- en doeboek. Het kost wat, maar dan heb
je wel een lezend kind. Nou nog iets verzinnen waardoor hij voetbal een beetje
leuk gaat vinden…
maandag 13 februari 2012
Liefdesverdriet
Ze zet de gevulde
emmer naast haar voeten en kijkt me aan. Ik vraag haar hoe het gaat. Ze heeft een
doekje vast. Dat doekje blijkt even haar enige houvast. Ze rolt het op, knijpt erin,
laat het weer uitrollen. Ze rolt het weer op en knijpt erin. Terwijl ze dit doet
vertelt ze dat haar vriendje het heeft uitgemaakt. Ze blijft naar de grond kijken. Hij is pas 22 en wil graag
feesten, niets doen, geen verantwoordelijkheden. Hij gaat terug naar Polen. Aankomende
vrijdag al. Dan is ze alleen. Alleen in een land waar ze de taal niet spreekt
en waar ze zich niet welkom voelt. Ze rolt haar doekje op, knijpt erin, rolt het weer uit. Zij heeft niets meer in Polen. Enkel een
zwaar depressieve pillenslikkende moeder. Geen toekomst, geen baan, geen huis,
niets. Hier kan ze nu de huur niet meer betalen. Bij haar zus wonen die hier
ook werkt gaat niet, daar woont al een vriend in. Geen plek meer. En terwijl ze
aan het praten is, rolt ze het doekje op, knijpt erin en laat het weer
uitrollen. Ze maakt schoon. Ze begint om acht uur ´s ochtends, fietst door weer
en wind naar alle dorpen in de omtrek omdat de bus te duur is en komt iedere
avond om zeven uur bekaf thuis. Ze gaat naar school, leert Engels en Nederlands
en is moe, heel erg moe. Haar ogen vullen zich met tranen en terwijl ze het
doekje weer oprolt zegt ze: “Heartache is terrible, it makes you
sick. He is leaving me after five years. I don´t know what to do. I don´t know
what to do.” Voor het eerst kijkt ze me even aan. Dan draait
ze om, pakt haar emmer, gooit het doekje in het water en loopt de trap op.
maandag 6 februari 2012
Fluiten
Hij stond
achter me en hij begon weer. Ik kende hem al, iedere week staat ie namelijk achter
me. Heel irritant te wezen. Wij delen iets. Dat ook nog. Wij hebben namelijk
allebei een kind op zwemles. Bij zwemles kom je de hele wereld tegen.
Als het spul
ligt te spartelen in het water, worden wij naar achter het raam gedirigeerd.
Het is zo´n verhoorraam, wij zien onze koters wel, zij zien ons niet. Daar
staan ze, met 10 ruggetjes richting raam en ze trekken doorlopend zwembroeken
tussen de billen uit, ze bekijken zichzelf in de ´spiegel´, ze trekken gekke
bekken en ze knijpen elkaar en denken dat niemand het ziet. De moeders lossen
het al op voor de kinderen. “Jouw kind knijpt mijn dochter! Dat doet ie dus
niet nog eens, okay?”
De ramen
zijn klein en je past er maar net voor met z´n allen. Dus nu staat al weken op
rij een vader achter mij, net iets te dichtbij. Als hij ademhaalt, dan snuift
ie. Met een elleboog houd ik hem op afstand, maar hij doet nog iets, naast
snuiven en te dichtbij staan. Deze man fluit. Doorlopend. Heel zachtjes. Je zou
kunnen zeggen dat dit een vrolijke man is en dat je hem moet laten. Ik
vind het niets, zo´n fluitende kerel in je comfortzone. Hoe
vrolijk het ook allemaal bedoeld is.
Gelukkig ben
ik niet de enige die zich stoorde, het werd keurig voor me opgelost. De buurvrouw,
kweekt katten, werkt bij de super en heeft een enorm volume (type Patty Brard)
greep in. Ze draait zich naar hem toe en zegt: “He Berdien Stenberg, hoeft niet
hoor, dat gefluit. We kenne elkaar niet verstaan zo. Wil je effe ophouwen? Ik
krijg er helemaal geen goeie zin van, namelijk.” Ze keek hem aan met grote ogen. Heel neutraal. Niet vrolijk, niet
boos, heel neutraal. Hij kon alle kanten op, maar hij koos de juiste. Hij stopte
met fluiten. Ze bleef hem nog een paar seconde heel neutraal aankijken, draaide
zich langzaam naar het raam en glimlachte pas weer toen ze haar Serena in het
water zag duiken.
De man
drinkt nu tijdens de zwemles een kopje koffie. Boven. Mag ie fluiten wat ie
wil.
zaterdag 4 februari 2012
Abonneren op:
Berichten (Atom)

