woensdag 29 februari 2012

Een dronkaard in Kaminsky

Hij hield zijn evenwicht door vol op mijn schouder te leunen. Ik zat te eten in Kaminsky in Leuven toen ik zijn steun en toeverlaat bleek en hij zijn alcoholwalm over mijn eten uitademde. Hij mompelde iets wat op “sorry” leek en strompelde door naar de bar. Hij ging dwars in het gangpad staan, benen wijd en overstrekt en de voeten naar buiten gekeerd. Met een hand houdt hij zich vast aan de bar en wankelt wat heen en weer. Twee meisjes aan de bar kijken hem medelijdend en een tikje afkeurend aan. De barman kent hem, lacht hem vriendelijk toe, maar schudt gedecideerd nee als hij om een pintje vraagt. Hij krijgt niets, geen druppel. Hij doet zijn ogen dicht en wankelt wat harder. Na een paar seconden kijkt hij me aan zonder me te zien. Hij zucht diep. Hij voelt met de hand die vrij is in zijn zak naar sigaretten. Hij pakt er een, steekt hem in zijn mond en houdt er op goed geluk een aansteker bij. Hij krijgt een duwtje van de barman die weer nee schudt. Dat mag niet, roken in het café. Op hetzelfde moment merkt de man dat zijn gulp openstaat. Hij ziet dat ik zie dat hij dat in de gaten heeft. Hij twijfelt wat hij moet doen. Wat is belangrijker? De peuk moet uit, of hij moet naar buiten en zijn gulp moet ook nog dicht. Het kan niet allemaal tegelijk. Hij gaat voor de sigaret. Hij loopt al leunend tegen de mensen die aan de bar zitten terug naar de deur en op het moment dat hij er is, weet hij niet meer wat hij bij de deur doet. Hij draait om, de barman wijst naar zijn peuk en hij weet het weer. Hij tilt zijn hoofd wat op en lacht als bevestiging. Hij trekt de deur open en kijkt omlaag. Terwijl hij de kou het café in laat probeert hij met de brandende peuk in zijn hand zijn gulp dicht te doen. Het lukt niet. De barman loopt naar hem toe, helpt hem naar buiten, houdt even zijn peuk vast. De gulp gaat dicht, de man gaat in het raam zitten en rookt zijn sigaret op. Daarna zwaait hij naar de barman en zwalkt verder de nacht in.

dinsdag 21 februari 2012

Piet Verkruijsse (1943-2012)


Piet stond voor het bord met stageplekken. Of ik geen redactiewerk wilde doen voor het tijdschrift Literatuur. Dat wilde ik wel. Ik moest wel even solliciteren, zei hij. Daar trapte ik in en kwam met grof geschut naar zijn spreekkamer. Ik moest en zou die stageplek hebben. Hij heeft hard gelachen om mijn enorme voorbereiding. Dat gebeurde wel vaker. Hij maakte mij onzeker en ik deed daardoor nog harder mijn best. Dat was niet altijd even leuk, maar op sommige momenten wel effectief.

Ik heb een paar jaar op zijn werkkamer doorgebracht. Er zaten meer docenten en ook een van mijn inmiddels beste vriendinnen, Ellen. Haar heb ik toch maar mooi van hem cadeau gekregen. Tijdens de lunch kwam de halve afdeling altijd binnenvallen. Omdat er gerookt werd en wij het verbod hierop allemaal negeerden. De blauwe kamer heette ons hok. Ik heb daar veel geleerd en veel gelachen. Piet kon vertellen, vooral over hele rare voorvallen. Altijd half mompelend en onderkoeld. Dat zijn vrouw af en toe een brug inslikte als ze sliep bijvoorbeeld. Dat gebeurde niet een keer, maar meerdere keren. Hij vond dat stiekem prachtig.

Hij heeft mij zover gekregen dat ik archiefonderzoek ging doen. Mijn afstudeeronderwerp had ik nooit zelf kunnen verzinnen. Boekdrukkersweduwen in Amsterdam tussen 1600 en 1800. Gezellig. De uitdrukking “Ik word gek van die dooie wijven!” heeft veelvuldig geklonken. Zijn adviezen brachten mij niet veel verder, ja tot wanhoop, maar uiteindelijk kwam het goed.

Ik heb altijd naar zijn goedkeuring gezocht en zelden gekregen. Dat maakte het contact later ook wat ingewikkeld. Zo´n mechanisme verdwijnt niet  zomaar. Hij vond dat ik had moeten promoveren, harder mijn best had moeten doen. De baantjes die voor mij volgden vond hij eigenlijk zonde van de tijd. Hij was een wetenschapper, een ouwe brompot, een man met een randje en soms lastig in de omgang. Maar nu is hij dood en daar ben ik erg verdrietig over. De laatste maanden nam ik mij voor om wat met hem te gaan drinken, nog eens langs te gaan. Ik heb dat uitgesteld en uitgesteld. Pure angst om hem zo ziek te zien en niet te weten waar ik het over zou moeten hebben. Laf gedrag.

Zaterdag wordt hij begraven. Dan kan ik nog een keer dag tegen hem zeggen. Voor de laatste keer. Dag lieve ouwe brompot. Dag lieve Piet.

maandag 20 februari 2012

De Donald Duck, tuurlijk!



De oudste sloper heeft moeite met lezen. Op school krijgt hij bijles, thuis lezen wij met hem. Eerst lazen we keurig de lijstjes en verhaaltjes die hij van school  meekreeg. Hij vond het vreselijk. Saai, geen zin in, weerstand. Wat moet je dan? Op school deden ze wat ze konden en weer kreeg ik een lijstje woorden mee naar huis die hij achter elkaar op moest dreunen. Succes less than zero. Maar het ventje zal toch moeten leren lezen dus toen ik een boek ging kopen voor een vriendin heb ik het probleem voorgelegd aan de dame bij de kinderboeken. De tip van de eeuw: Donald Duck junior. Ik hield hem voor zijn neus en de Donald Duck junior vreet hij. Hij moet lachen om de tekeningen, hij voelt grapjes aankomen, maar moet toch eerst de tekst lezen om het helemaal te snappen. Hij leert nu dus lezen met strips. Kan mij het schelen. Als ie maar leest. Geweldig! Hij vindt het eindelijk een beetje leuk. Nog een hit is Geronimo Stilton. Niet de dikke avonturenboeken, maar de simpelere uitgaven waaruit ik hem voorlees en hij zelf de speciale woorden hardop moet lezen. Hij vindt het voor het eerst sinds groep drie leuk om in een boek te kijken. Eindelijk. De laatste tip was dat jongens vaak niet op verzonnen verhalen zitten te wachten, dus de kinderencyclopedie staat ook op het programma, naast het ´je achtertuin is een jungle´ lees- en doeboek. Het kost wat, maar dan heb je wel een lezend kind. Nou nog iets verzinnen waardoor hij voetbal een beetje leuk gaat vinden…

maandag 13 februari 2012

Liefdesverdriet


Ze zet de gevulde emmer naast haar voeten en kijkt me aan. Ik vraag haar hoe het gaat. Ze heeft een doekje vast. Dat doekje blijkt even haar enige houvast. Ze rolt het op, knijpt erin, laat het weer uitrollen. Ze rolt het weer op en knijpt erin. Terwijl ze dit doet vertelt ze dat haar vriendje het heeft uitgemaakt. Ze blijft naar de grond kijken. Hij is pas 22 en wil graag feesten, niets doen, geen verantwoordelijkheden. Hij gaat terug naar Polen. Aankomende vrijdag al. Dan is ze alleen. Alleen in een land waar ze de taal niet spreekt en waar ze zich niet welkom voelt. Ze rolt haar doekje op, knijpt erin, rolt het weer uit. Zij heeft niets meer in Polen. Enkel een zwaar depressieve pillenslikkende moeder. Geen toekomst, geen baan, geen huis, niets. Hier kan ze nu de huur niet meer betalen. Bij haar zus wonen die hier ook werkt gaat niet, daar woont al een vriend in. Geen plek meer. En terwijl ze aan het praten is, rolt ze het doekje op, knijpt erin en laat het weer uitrollen. Ze maakt schoon. Ze begint om acht uur ´s ochtends, fietst door weer en wind naar alle dorpen in de omtrek omdat de bus te duur is en komt iedere avond om zeven uur bekaf thuis. Ze gaat naar school, leert Engels en Nederlands en is moe, heel erg moe. Haar ogen vullen zich met tranen en terwijl ze het doekje weer oprolt zegt ze: “Heartache is terrible, it makes you sick. He is leaving me after five years. I don´t know what to do. I don´t know what to do.” Voor het eerst kijkt ze me even aan. Dan draait ze om, pakt haar emmer, gooit het doekje in het water en loopt de trap op.  

maandag 6 februari 2012

Fluiten


Hij stond achter me en hij begon weer. Ik kende hem al, iedere week staat ie namelijk achter me. Heel irritant te wezen. Wij delen iets. Dat ook nog. Wij hebben namelijk allebei een kind op zwemles. Bij zwemles kom je de hele wereld tegen.

Als het spul ligt te spartelen in het water, worden wij naar achter het raam gedirigeerd. Het is zo´n verhoorraam, wij zien onze koters wel, zij zien ons niet. Daar staan ze, met 10 ruggetjes richting raam en ze trekken doorlopend zwembroeken tussen de billen uit, ze bekijken zichzelf in de ´spiegel´, ze trekken gekke bekken en ze knijpen elkaar en denken dat niemand het ziet. De moeders lossen het al op voor de kinderen. “Jouw kind knijpt mijn dochter! Dat doet ie dus niet nog eens, okay?”

De ramen zijn klein en je past er maar net voor met z´n allen. Dus nu staat al weken op rij een vader achter mij, net iets te dichtbij. Als hij ademhaalt, dan snuift ie. Met een elleboog houd ik hem op afstand, maar hij doet nog iets, naast snuiven en te dichtbij staan. Deze man fluit. Doorlopend. Heel zachtjes. Je zou kunnen zeggen dat dit een vrolijke man is en dat je hem moet laten. Ik vind het niets, zo´n fluitende kerel in je comfortzone. Hoe vrolijk het ook allemaal bedoeld is.

Gelukkig ben ik niet de enige die zich stoorde, het werd keurig voor me opgelost. De buurvrouw, kweekt katten, werkt bij de super en heeft een enorm volume (type Patty Brard) greep in. Ze draait zich naar hem toe en zegt: “He Berdien Stenberg, hoeft niet hoor, dat gefluit. We kenne elkaar niet verstaan zo. Wil je effe ophouwen? Ik krijg er helemaal geen goeie zin van, namelijk.” Ze keek hem aan met  grote ogen. Heel neutraal. Niet vrolijk, niet boos, heel neutraal. Hij kon alle kanten op, maar hij koos de juiste. Hij stopte met fluiten. Ze bleef hem nog een paar seconde heel neutraal aankijken, draaide zich langzaam naar het raam en glimlachte pas weer toen ze haar Serena in het water zag duiken.

De man drinkt nu tijdens de zwemles een kopje koffie. Boven. Mag ie fluiten wat ie wil.